Veranderingen na hersenletsel
Cognitieve veranderingen | Veranderingen in waarneming | Veranderingen in gedrag | Veranderingen in emoties | Veranderingen in communicatie | Lichamelijke gevolgen
Cognitieve veranderingen
Hersenletsel kan verstoringen veroorzaken in:
alertheid en concentratie
zelfinzicht
waarneming
geheugen en leervermogen
redeneren, plannen en probleemoplossend denken
spraak en taal
motorische controle
emoties
De onderstaande informatie helpt om inzicht te krijgen in gedrags-, geheugen- en denkproblemen die kunnen optreden na hersenletsel. Ook worden er technieken aangereikt om de persoon beter en comfortabeler te laten deelnemen aan het gezinsleven. Door deze technieken consequent en regelmatig toe te passen, vergroot je de kans op een succesvol herstel.
PROBLEMEN & SYMPTOMEN
Probleem: Verwarring
Signalen:
Verwisselt tijden of activiteiten in de dagplanning
Haalt gebeurtenissen uit het verleden en het heden door elkaar
Verzinnt overtuigende verhalen om gaten in het geheugen op te vullen (dit gebeurt niet bewust)
Wat kun je doen:
Stimuleer het gebruik van een notitieboekje om gebeurtenissen bij te houden en verwijs hier regelmatig naar
Corrigeer op een rustige manier onjuiste informatie over gebeurtenissen
Controleer informatie indien nodig bij anderen
Zorg voor een vaste structuur in dagelijkse taken (gebruik een agenda of notitieboekje)
Beperk veranderingen in de dagelijkse routine
Geef duidelijke en eenvoudige uitleg, zelfs bij kleine veranderingen
Probleem: Moeite met onthouden
Signalen:
Kan dagelijkse taken niet goed onthouden
Heeft moeite met het onthouden van nieuwe informatie
Wat kun je doen:
Zorg voor een vaste dagstructuur
Moedig het gebruik van hulpmiddelen aan, zoals een agenda of notitieboekje
Laat nieuwe informatie opschrijven
Vraag ook andere gezinsleden om belangrijke informatie op te schrijven
Herhaal informatie regelmatig gedurende de dag
Bied kansen om nieuwe informatie vaker te oefenen
Koppel nieuwe informatie aan iets dat al bekend is
Geef mondelinge aanwijzingen en help zo nodig om gaten in het geheugen op te vullen
Probleem: Aandachtsproblemen
Signalen:
Moeite om de aandacht vast te houden
Snel afgeleid
Moeite om meerdere dingen tegelijk te volgen
Wat kun je doen:
Richt je op één taak tegelijk
Zorg dat je eerst de aandacht hebt voordat je iets uitlegt
Verminder afleiding (bijvoorbeeld geluiden)
Benoem en waardeer elke verbetering in concentratie
Breng de aandacht rustig terug naar de taak als dat nodig is
Beperk plotselinge veranderingen
Vraag om herhaling van informatie om te controleren of het begrepen is
Plan korte rustmomenten tussen activiteiten (bijvoorbeeld 20–30 minuten activiteit, daarna 5 minuten pauze)
Probleem: Moeite met beslissingen nemen
Signalen:
Twijfelt bij het nemen van beslissingen
Neemt soms ongeschikte of risicovolle beslissingen
Moeite met logisch nadenken
Problemen met het oplossen van problemen
Wat kun je doen:
Stimuleer om eerst stil te staan en na te denken
Help bij het verkennen van verschillende oplossingen
Laat mogelijke keuzes opschrijven
Bespreek de voor- en nadelen van elke optie
Oefen situaties vooraf, bijvoorbeeld met rollenspellen
Probleem: Moeite met initiatief nemen
Signalen:
Komt moeilijk op gang
Lijkt ongemotiveerd of ongeïnteresseerd (meestal niet bewust)
Wat kun je doen:
Help bij het opstellen van een duidelijke dagstructuur
Geef concrete keuzemogelijkheden (“Wil je A of B doen?”)
Maak taken eenvoudiger en verdeel ze in kleine stappen
Gebruik een agenda of notitieboekje om deadlines vast te leggen
Geef complimenten wanneer iemand zelfstandig begint
Spreek een duidelijke tijd af voor het uitvoeren van taken
Probleem: Moeite met het uitvoeren van een plan
Signalen:
Maakt taken niet af
Heeft moeite met het plannen van stappen
Komt ongeorganiseerd over
Wat kun je doen:
Begin met kleine, haalbare taken
Betrek de persoon bij het plannen
Leg vooraf duidelijk uit wat de bedoeling is
Verdeel complexe taken in overzichtelijke stappen
Laat een stappenplan opschrijven
Vraag om de stappen hardop te herhalen om begrip te controleren
Stimuleer om het plan erbij te houden en afgeronde stappen af te vinken
Veranderingen in waarneming
Waarneming is het vermogen van de hersenen om informatie op te nemen en te begrijpen. Bij hersenletsel kan dit proces verstoord raken, waardoor iemand niet goed beseft wat hij of zij voelt, ziet of hoort, terwijl de zintuigen zelf (zoals tast, zicht en gehoor) wel goed functioneren. Deze veranderingen kunnen ook invloed hebben op het inschatten van afstand, grootte, positie en bewegingssnelheid.
Na hersenletsel kunnen onder andere de volgende problemen optreden:
eenzijdige verwaarlozing (het negeren van één kant van het lichaam)
gezichtsvelduitval (waarbij elk oog slechts een deel van het totale beeld waarneemt)
apraxie (moeite met het uitvoeren van handelingen of het gebruiken van voorwerpen)
problemen met ruimtelijk inzicht
Veranderingen in de waarneming kunnen tijdelijk zijn, maar ook blijvend. De informatie hieronder helpt om deze veranderingen te herkennen en er beter mee om te gaan.
Probleem: Gezichtsvelduitval
Signalen:
Voorwerpen lijken plotseling te verschijnen of te verdwijnen
Botst tegen dingen aan aan de aangedane kant
Draait het hoofd vooral naar de niet-aangedane kant
Ziet eten aan één kant van het bord niet
Raakt tijdens lezen of schrijven de plek kwijt waar hij of zij bezig was
Leest woorden half, waardoor ze moeilijk te begrijpen zijn
Wat kun je doen:
Herinner de persoon eraan om actief rond te kijken, vooral naar de aangedane kant
Markeer aan- en uitknoppen van veelgebruikte apparaten (zoals tv of keukenapparatuur) met felgekleurde stickers
Leg opvallende of favoriete voorwerpen aan de aangedane kant en vraag de persoon het hoofd te draaien totdat deze ze ziet
Trek een duidelijke, gekleurde lijn langs de rand van een pagina als visuele hulp: rechts als de rechterkant is aangedaan, links als de linkerkant is aangedaan
Probleem: Apraxie
Signalen:
Gebruikt voorwerpen verkeerd, bijvoorbeeld een tandenborstel om het haar te kammen of een vork om soep te eten
Heeft moeite om gesproken opdrachten uit te voeren, doordat het lastig is om te begrijpen of uit te voeren wat gevraagd wordt (bijvoorbeeld geen duim omhoog geven wanneer daarom wordt gevraagd)
Trekt kleding verkeerd aan, zoals binnenstebuiten, achterstevoren of ondersteboven
Wat kun je doen:
Stop de persoon wanneer een handeling op de verkeerde manier wordt uitgevoerd
Laat zien wat de bedoeling is door de handeling voor te doen
Leg je hand over die van de persoon en begeleid de beweging stap voor stap
Help bij het aankleden door dit in de juiste volgorde en stap voor stap te doen
Zorg voor een vaste dagelijkse routine voor persoonlijke verzorging en aankleden
Probleem: Problemen met ruimtelijk inzicht
Signalen:
Schat de positie van een stoel verkeerd in bij het gaan zitten
Heeft moeite om spullen te vinden in een rommelige ruimte
Vindt het lastig om met bestek eten van een bord te pakken
Schat afstanden verkeerd in, bijvoorbeeld naast de beker schenken
Heeft moeite met het inschatten van de afstand tussen treden op de trap
Reikt te ver of juist niet ver genoeg naar voorwerpen
Staat in sociale situaties te dichtbij of juist te ver van anderen af
Vraagt vaak om een oogonderzoek, omdat het lijkt alsof het zicht slechter is
Wat kun je doen:
Beperk rommel en houd de leefomgeving overzichtelijk en opgeruimd
Leg veelgebruikte spullen altijd op dezelfde plek en gebruik eventueel visuele of verbale aanwijzingen
Plak felgekleurde tape op de rand van traptreden
Herinner de persoon eraan om leuningen te gebruiken waar mogelijk
Moedig aan om beide handen te gebruiken om voorwerpen te voelen
Geef rustige aanwijzingen als iemand te dichtbij of te ver weg staat
Wacht ongeveer zes maanden na het hersenletsel (of volg het advies van de arts) voordat je een oogonderzoek laat doen; de problemen komen meestal door de waarneming en niet door de ogen zelf
Veranderingen in gedrag
Na hersenletsel kunnen er veranderingen optreden in gedrag, zoals in zelfcontrole, zelfinzicht en het omgaan met sociale situaties. Hieronder staan veelvoorkomende gedragsproblemen, hoe je ze kunt herkennen en wat je kunt doen om te helpen.
Probleem: Moeite met zelfcontrole
Signalen:
Handelt of spreekt zonder voldoende informatie of zonder na te denken over de gevolgen
Impulsief gedrag of slecht beoordelingsvermogen
Weinig remming
Ongepaste opmerkingen naar of over anderen
Blijft hangen in één idee of activiteit
Wat kun je doen:
Beperk het aantal keuzemogelijkheden
Bied alternatieven voor gedrag
Leg duidelijk uit waarom iets gedaan moet worden
Wees realistisch en eerlijk in je verwachtingen
Reageer direct op ongepast gedrag, maar blijf bij het oorspronkelijke onderwerp
Stimuleer om rustiger te handelen en eerst na te denken
Geef steunende verbale en non-verbale feedback
Bespreek ongewenst gedrag rustig en onder vier ogen, inclusief de gevolgen
Benoem en beloon gewenst gedrag
Probleem: Verminderd zelfinzicht
Signalen:
Weinig besef van eigen beperkingen (meestal niet bewust)
Overschat eigen kunnen en onderschat problemen
Onrealistisch zelfbeeld
Wat kun je doen:
Houd rekening met een verminderd inzicht
Help bij het formuleren van realistische uitspraken over zichzelf
Geef regelmatig opbouwende feedback
Benoem concreet wat je observeert in gedrag
Probleem: Moeite met deelnemen aan sociale situaties
Signalen:
Handelt of spreekt zonder goed na te denken
Moeite met beurt nemen
Impulsief gedrag
Ongepaste opmerkingen of gedrag
Onvoldoende gevoel voor sociale grenzen
Gedraagt zich niet passend in nieuwe of openbare situaties
Wat kun je doen — vóór de situatie
Geef duidelijke verwachtingen over gewenst gedrag, bijvoorbeeld bij een sollicitatie, begrafenis of bezoek aan een religieuze bijeenkomst
Bereid sociale situaties voor en oefen ze, zodat ze herkenbaar en voorspelbaar worden
Spreek signalen af (verbaal of non-verbaal) die aangeven dat iemand even moet stoppen en nadenken
Wat kun je doen — tijdens de situatie
Behandel de persoon passend bij zijn of haar leeftijd
Stimuleer om rustiger te reageren en eerst na te denken
Help om stil te staan bij de gevolgen van gedrag
Geef positieve feedback bij passend gedrag
Stel een pauze voor bij vermoeidheid of frustratie
Reageer direct op ongepaste ideeën, maar houd de focus van het gesprek vast
Bespreek ongewenst gedrag rustig en privé; maak duidelijk dat het gedrag niet passend is, niet de persoon
Blijf geruststellend en realistisch in je verwachtingen
Wat kun je doen — na de situatie
Bespreek hoe het is gegaan, inclusief het gebruik van afgesproken signalen
Benoem wat goed ging en geef complimenten voor passend gedrag en reacties op begeleiding
Veranderingen in emoties
Hersenletsel kan invloed hebben op de hersengebieden die emoties regelen. Hieronder staan veelvoorkomende emotionele problemen en manieren om hiermee om te gaan.
Probleem: Moeite met het reguleren van emoties
Signalen:
Stemmingswisselingen (bijvoorbeeld van angstig naar verdrietig of boos)
Ongepast lachen of huilen
Minder goed kunnen omgaan met frustratie
Wat kun je doen:
Houd er rekening mee dat reacties onverwacht kunnen zijn
Blijf zelf rustig en stabiel bij emotionele uitbarstingen
Breng de persoon naar een rustige plek om tot rust te komen
Geef achteraf op een rustige en steunende manier feedback
Vermijd vergelijkingen met hoe iemand vroeger was
Leid het gedrag voorzichtig om naar een ander onderwerp of activiteit
Besef dat negatief gedrag soms een manier kan zijn om controle te houden
Houd er rekening mee dat iemand minder schuldgevoel of empathie kan ervaren
Let ook op je eigen emotionele reacties
Probleem: Wisselende emotionele onrust
Signalen:
Somberheid en prikkelbaarheid
Snel huilen
Boos reageren zonder duidelijke aanleiding
Wat kun je doen:
Erken de gevoelens
Geef ruimte om erover te praten
Luister actief en laat merken dat je het wilt begrijpen
Stimuleer manieren van omgaan met stress die eerder hielpen
Probleem: Rouw
Signalen:
Huilen
Onrustige slaap
Verandering in eetlust
Wat kun je doen:
Leg uit dat rouw een normale en gezonde reactie is
Geef aan dat het verwerken van verlies tijd kost
Bied steun waar mogelijk
Overweeg begeleiding van een professional
Depressie
Gevoelens van verdriet, frustratie en verlies komen vaak voor na hersenletsel. Deze gevoelens treden vaak sterker op in latere fases van het herstel, wanneer verwarring afneemt en het zelfinzicht toeneemt. Als deze gevoelens overheersen of het herstel belemmeren, kan er sprake zijn van een depressie.
Depressie kan ontstaan doordat iemand zich moet aanpassen aan tijdelijke of blijvende beperkingen. Ook kan het direct samenhangen met schade aan hersengebieden die emoties regelen.
Depressie is geen teken van zwakte en niemand is er schuldig aan. Het is een ziekte. Je kunt er niet zomaar “overheen komen” door wilskracht. Veranderingen in de hersenen spelen vaak een rol. Gelukkig zijn er behandelingen die kunnen helpen, zoals therapie en medicatie.
Mogelijke signalen van depressie:
Aanhoudende somberheid
Prikkelbaarheid of stemmingswisselingen
Angst
Minder interesse of plezier in het leven
Verwaarlozing van persoonlijke zorg of verantwoordelijkheden
Veranderingen in eet- of slaappatroon
Vermoeidheid en gebrek aan energie
Sterke stemmingswisselingen
Gevoelens van hopeloosheid, waardeloosheid of machteloosheid
Lichamelijke klachten zoals hoofdpijn of chronische pijn zonder duidelijke oorzaak
Zich terugtrekken uit contact met anderen
Gedachten aan de dood of zelfbeschadiging
Bij signalen van depressie is het belangrijk om een zorgverlener te raadplegen. Er zijn effectieve behandelingen beschikbaar, zoals individuele therapie, groepstherapie, medicatie of een combinatie daarvan. Vroege behandeling kan veel leed voorkomen. Bij gedachten aan zelfbeschadiging of zelfdoding is het belangrijk om direct contact op te nemen met de hulpdiensten.
Zelfbeeld
Zelfbeeld is hoe iemand zichzelf waardeert, en dit kan na hersenletsel sterk veranderen. Vooral mensen met voldoende zelfinzicht kunnen hier moeite mee hebben: hoe beter iemand zich bewust is van de veranderingen, hoe groter de impact op het zelfbeeld kan zijn.
Wat kun je doen:
Richt je op wat goed gaat
Geef ruimte om gevoelens te uiten
Stuur gesprekken indien nodig voorzichtig naar iets positiefs of neutraals
Laat merken dat je betrokken bent en wilt begrijpen
Benoem successen, ook kleine
Stimuleer zoveel mogelijk zelfstandigheid
Vermijd kritiek
Geef eerlijke, maar zorgzame feedback
Help bij het plannen van activiteiten om succeservaringen te vergroten
Kies taken die haalbaar zijn
Iedere persoon met hersenletsel is anders. Let op hoe je over iemand praat en vermijd etiketten of generalisaties over gedrag of communicatie. Door je goed te informeren, geduldig te zijn en begrip te tonen, kun je bijdragen aan het versterken van het zelfbeeld van iemand met hersenletsel.
Veranderingen in communicatie
Problemen met communicatie kunnen verschillende oorzaken hebben, zoals veranderingen in gedrag, denkvermogen, probleemoplossing, beoordelingsvermogen, inzicht, geheugen en zelfinzicht. Ook taal en spraak kunnen beïnvloed worden door hersenletsel.
Mensen met hersenletsel kunnen in één of meerdere van deze gebieden veranderingen ervaren. De ernst en combinatie van problemen verschillen per persoon.
Probleem: Moeite met het starten van een gesprek
Signalen:
Reageert niet op gesprekken, vragen of opmerkingen van anderen
Begint moeilijk of traag aan een gesprek, stelt weinig vragen of maakt weinig opmerkingen
Laat lange stiltes vallen
Heeft moeite met uitleggen
Wat kun je doen:
Moedig deelname aan, bijvoorbeeld door te vragen: “Wat vind jij daarvan?”
Stel open vragen zoals: “Vertel eens over…”
Geef voldoende tijd om gedachten te ordenen
Geef volledige aandacht tot de persoon is uitgesproken
Herformuleer wat gezegd is, bijvoorbeeld: “Bedoel je dat…?”
Probleem: Moeite met het volgen van een gesprek
Signalen:
Heeft moeite om de aandacht erbij te houden
Begrijpt niet altijd goed wat er gezegd wordt
Wat kun je doen:
Zorg eerst voor aandacht voordat je begint te praten
Spreek duidelijk en beknopt
Beperk afleiding
Leg nadruk op belangrijke informatie
Bied aan om iets te herhalen
Vraag om oogcontact en moedig aan om vragen te stellen
Probleem: Moeite met beurt nemen in een gesprek
Signalen:
Praat aan één stuk door en laat anderen niet aan het woord
Past communicatie of gedrag niet aan de situatie aan
Heeft moeite met het kiezen van gespreksonderwerpen
Kan moeilijk schakelen wanneer het onderwerp verandert
Begint plotseling over iets anders
Blijft niet altijd bij het onderwerp
Wat kun je doen:
Onderbreek beleefd en vraag om ruimte om te spreken
Vraag om het kort te houden of geef aan dat jij iets wilt zeggen
Vraag naar interesses en meningen
Maak nieuwe onderwerpen duidelijk wanneer ze ontstaan
Vraag hoe een opmerking verband houdt met het onderwerp
Geef aan als je het gesprek niet meer goed kunt volgen
Zeg eerlijk dat je iets niet begrijpt en vraag om herhaling
Spreek vaste signalen of gebaren af (bijvoorbeeld een hand achter het oor als teken om harder te spreken)
Probleem: Moeite met verstaanbaarheid
Signalen:
Onduidelijke of binnensmondse spraak
Spreekt te zacht of juist te hard
Praat te snel
Wat kun je doen:
Geef aan dat je het niet goed hebt verstaan en vraag om herhaling
Gebruik afgesproken signalen of gebaren om te helpen bij het aanpassen van het spreken
Probleem: Non-verbale communicatie
Signalen:
Begrijpt lichaamstaal van anderen niet goed
Staat te dichtbij of te ver weg tijdens gesprekken
Onprettig of ongepast lichamelijk contact
Lichaamstaal die niet overeenkomt met wat er gezegd wordt
Gezichtsuitdrukking die niet past bij de boodschap
Storende of herhaalde bewegingen
Weinig oogcontact
Staart naar anderen tijdens gesprekken
Wat kun je doen:
Vraag om voldoende afstand te houden
Geef beleefd aan als lichamelijk contact onprettig is en leg dit zo nodig uit
Benoem dat lichaamstaal en woorden niet overeenkomen
Vraag wat de persoon voelt
Vraag vriendelijk om storende bewegingen te stoppen
Lichamelijke gevolgen
Hersenletsel kan invloed hebben op lichamelijke functies zoals balans, mobiliteit, coördinatie en spierkracht, spierspanning en controle. Ook de zintuigen (gehoor, zicht, reuk, tast en smaak) kunnen veranderen. Daarnaast kunnen klachten ontstaan zoals vermoeidheid, epileptische aanvallen, spasticiteit en slikproblemen.
Vermoeidheid
Vermoeidheid komt vaak voor tijdens het herstel van hersenletsel. Dit kan het gevolg zijn van het letsel zelf (en eventuele andere verwondingen), maar ook van de extra inspanning die nodig is om taken uit te voeren die voorheen vanzelf gingen. Vermoeidheid kan invloed hebben op lichamelijk functioneren, concentratie, geheugen en communicatie.
Wanneer iemand net weer thuis is, is het vaak lastig om in te schatten wat haalbaar is. Dit kan leiden tot frustratie, doordat het herstel langzaam verloopt of doordat er te veel wordt verwacht. Dit hoort bij het herstelproces. Naarmate de tijd vordert, nemen energie en belastbaarheid meestal toe.
Wat kan helpen bij het omgaan met vermoeidheid:
Gebruik een agenda of planner om activiteiten te structureren
Plan vaste rustmomenten of korte dutjes (maximaal 30 minuten)
Vermijd dutjes in de avond
Bouw het aantal en de duur van rustmomenten geleidelijk af
Hervat activiteiten stap voor stap, over weken of maanden
Begin met bekende, eenvoudige taken
Verhoog de moeilijkheidsgraad geleidelijk
Let op signalen van vermoeidheid, zoals concentratieverlies, herhaling, prikkelbaarheid of meer fouten
Neem op tijd pauzes, eventueel al na enkele minuten activiteit
Gebruik hulpmiddelen (zoals een stok of rolstoel) om energie te besparen, indien geadviseerd
Plan intensieve activiteiten (zoals bezoek of uitstapjes) vooraf en neem eventueel rust
Beperk de duur van bezoek of plan rustmomenten tussendoor
Epileptische aanvallen (seizures)
Na hersenletsel kunnen epileptische aanvallen optreden. Deze worden veroorzaakt door plotselinge, ongecontroleerde elektrische activiteit in de hersenen. De kans hierop hangt samen met de ernst en locatie van het letsel en is meestal het grootst in de eerste maanden.
Er zijn verschillende soorten aanvallen, waarvan de meest voorkomende gegeneraliseerde en partiële aanvallen zijn.
Gegeneraliseerde aanvallen
Deze gaan vaak gepaard met schokken of stuipen in het hele lichaam, bewustzijnsverlies en soms verlies van controle over de blaas. De aanval duurt meestal enkele minuten.
Wat kun je doen:
Blijf rustig
Zorg voor een veilige omgeving
Leg het hoofd op iets zachts
Maak strakke kleding los en verwijder een bril
Haal gevaarlijke voorwerpen weg
Leg de persoon op de zij, zodat speeksel weg kan lopen
Stop niets in de mond
Houd de persoon niet tegen
Na de aanval is iemand vaak verward en slaperig. Geef pas eten, drinken of medicatie als iemand weer goed wakker is. Blijf erbij tot het herstel compleet is.
Bel direct de hulpdiensten als:
De ademhaling niet terugkomt
Er direct een tweede aanval volgt
Er letsel is ontstaan
De aanval langer dan vijf minuten duurt
Het de eerste aanval is of iemand niet goed bij bewustzijn komt
Partiële aanvallen
Deze kunnen zich uiten in staren, automatische bewegingen of ongepaste reacties. Soms blijft het bewustzijn behouden, maar is er wel sprake van schokken in een deel van het lichaam.
Wat kun je doen:
Beperk ingrijpen tot wat nodig is voor veiligheid
Verwijder gevaarlijke voorwerpen
Blijf bij de persoon tot het bewustzijn volledig terug is
Medische hulp is meestal niet nodig, tenzij aanvallen elkaar snel opvolgen of overgaan in een gegeneraliseerde aanval.
Spasticiteit
Spasticiteit is een verhoogde spierspanning door schade aan hersengebieden die beweging aansturen. Spieren blijven dan stijf en ontspannen moeilijk.
Dit ontstaat vaak niet direct, maar ontwikkelt zich in de weken of maanden na het letsel. De ernst varieert en kan invloed hebben op dagelijkse activiteiten zoals aankleden, eten, schrijven en lopen.
Behandeling hangt af van de situatie en kan langdurig nodig zijn.
Slikproblemen
Slikproblemen (dysfagie) kunnen ontstaan doordat hersengebieden die het slikken aansturen beschadigd zijn.
Mogelijke problemen:
Slechte controle over hoofd en bovenlichaam
Verminderde kracht en coördinatie van lippen en tong
Problemen met aandacht en geheugen
Verslikken, waardoor voedsel of drank in de longen terechtkomt
Onderzoek kan nodig zijn om het slikken te beoordelen. Soms is tijdelijke sondevoeding nodig om voldoende voeding en vocht binnen te krijgen.
Met oefeningen en begeleiding (bijvoorbeeld door een logopedist of ergotherapeut) kan het slikken vaak verbeteren. In veel gevallen herstelt dit, al kan het tijd kosten.
Veranderingen in darm- en blaasfunctie
Hersenletsel kan invloed hebben op de controle over de darmen en blaas. Het kan nodig zijn om opnieuw een regelmatig patroon te ontwikkelen.
Darmfunctie
Mogelijke problemen:
Geen controle over ontlasting
Niet aanvoelen wanneer ontlasting nodig is
Moeite om op tijd naar het toilet te gaan
Onvoldoende vezels of vochtinname
Wat kan helpen:
Eet op vaste tijden
Gebruik vezelrijke voeding
Drink voldoende
Blijf zo actief mogelijk
Werk met een vast toiletritme
Soms zijn hulpmiddelen nodig (zoals laxeermiddelen), maar deze worden meestal tijdelijk gebruikt. De meeste mensen krijgen uiteindelijk weer controle.
Blaasfunctie
Problemen met plassen kunnen ook voorkomen, zoals:
Urineverlies
Moeite met uitplassen
Vaak of plotseling moeten plassen
Blaasontstekingen
Deze problemen ontstaan vaak door schade aan hersengebieden die controle en planning regelen.
Mogelijke aanpak:
Werken met een plasroutine
Kathetergebruik (tijdelijk of intermitterend)
Gebruik van hulpmiddelen zoals incontinentiemateriaal
Training om controle te verbeteren
Voldoende drinken en begeleiding door een specialist kunnen helpen bij herstel. Ook hier geldt dat veel mensen uiteindelijk weer beter controle krijgen.
Iedereen herstelt op zijn eigen manier en tempo. Met de juiste ondersteuning, geduld en aanpassingen kunnen veel lichamelijke functies gedeeltelijk of volledig verbeteren.
COMA SUPPORT
Nuttige pagina’s